
Ze was nog maar zeventien. Alleen, arm, en vreemdeling in een stad die haar taal niet sprak. In het voorjaar van 1664 kwam Elsje Christiaens uit Jutland, Denemarken, naar Amsterdam. Ze zocht werk als dienstmeisje, zoals zovelen. Maar waar anderen misschien stil in de anonimiteit verdwenen, zou haar naam blijven hangen in de geschiedenis – op gruwelijke wijze.
Al kort na haar aankomst ging het mis. Ze had nauwelijks geld en verbleef bij een hospita aan de Damrak. Toen ze niet kon betalen, ontstond er een heftige woordenwisseling. In paniek – of woede – greep Elsje een bijl en sloeg haar hospita neer. De vrouw overleed. Elsje probeerde te vluchten, maar werd snel opgepakt. Ze bekende de moord en werd ter dood veroordeeld.
Op 1 mei 1664 werd Elsje gewurgd op het schavot, zoals gebruikelijk voor een vrouw. Haar lichaam werd vervolgens naar de overkant van het IJ gebracht, naar het galgenveld op de Volewijck – de plek waar terechtgestelde misdadigers ter afschrikking werden tentoongesteld. Je staat nu op de plek waar Elsje ooit gehangen moet hebben, haar jonge lichaam bungelend aan de galg, met de bijl, het moordwapen, naast haar tentoongesteld. Niet alleen als straf, maar als waarschuwing aan de stad.
Diezelfde dag stak ook Rembrandt van Rijn het IJ over. Wat hij zag, raakte hem diep. Hij tekende Elsje’s levenloze lichaam, niet als een misdadiger, maar als een tragisch figuur – een meisje dat ontspoorde in een harde wereld. Zijn tekeningen zijn rauw, ingetogen, maar vol compassie. Hij gaf haar een gezicht dat de stad haar had afgenomen.
Heb je suggestie voor dit verhaal?