

In de zomer van 1883 organiseerde Amsterdam de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling op het terrein dat we nu kennen als het Museumplein. Het evenement diende als etalage van Nederlands handelsnetwerk en koloniaal bezit. Naast producten uit de koloniën en demonstraties van industriële vooruitgang, maakte ook een zogenaamde 'mensentuin' deel uit van de tentoonstelling.
In deze sectie werden 28 personen uit Suriname, Nederlands-Indië en andere koloniën ondergebracht in nagebouwde dorpen. Zij moesten dagelijks handelingen uitvoeren die werden gepresenteerd als representatief voor hun cultuur: koken, ambachten tonen, dansen en poseren voor het publiek. De tentoongestelde personen werden zo onderdeel van een levend decor, bedoeld om bezoekers een ‘authentieke’ indruk te geven van het koloniale leven. In werkelijkheid betekende dit dat zij, zonder werkelijke zeggenschap, als bezienswaardigheid werden gepresenteerd.
Op de bijgevoegde foto is Jacqueline Ricket te zien, 24 jaar oud, samen met haar driejarige dochter Lina. Zij maakten deel uit van het Surinaamse dorp op de tentoonstelling. Hun aanwezigheid maakt zichtbaar dat het hier niet slechts ging om een abstract vertoog over cultuur en handel, maar om individuen – moeders, kinderen – die letterlijk werden geplaatst in een setting waarin hun menselijkheid ondergeschikt werd gemaakt aan het koloniale verhaal.
De tentoonstelling van mensen in Amsterdam was in lijn met soortgelijke ‘etnografische dorpen’ in andere Europese steden in die periode. Toch markeert deze specifieke situatie een pijnlijk moment in de Nederlandse geschiedenis: een openlijke, publieke bevestiging van koloniale ongelijkheid, midden in de hoofdstad.
Heb je suggestie voor dit verhaal?