

In de achttiende eeuw ontstond in Den Haag een bloeiende traditie van meubelmakers. Eén naam sprong eruit: Matthijs Horrix, een Duitse immigrant die zijn atelier opende aan de Spuistraat. Hij specialiseerde zich in luxueuze meubels met Franse invloeden. Zijn elegante commodes en kabinetten vonden hun weg naar adellijke huizen en zijn nog altijd populair op internationale veilingen.
De band tussen Haagse meubelmakers en Europese vorstenhuizen was sterk. Toen Lodewijk Napoleon in 1806 koning van Nederland werd, schakelde hij zowel Franse als Haagse vaklieden in om paleizen zoals het Paleis op de Dam in te richten. Ambachtslieden als Abraham Schick en Eduard Muller leverden werk dat Franse elegantie combineerde met Hollandse degelijkheid. Ook de Oranjes waren trouwe klanten; hun paleizen, zoals Noordeinde en Het Loo, werden ingericht door Haagse handen.
In de negentiende eeuw brak een nieuwe periode van innovatie aan. Mutters & Zoon groeide uit tot een internationaal bekend meubelbedrijf. Ze leverden niet alleen meubels aan paleizen en chique families, maar ontwierpen ook luxe interieurs voor schepen en vliegtuigen. Een van hun hoogtepunten was het ontwerp van delen van het interieur van de Titanic, beroemd om zijn verfijnde details.
Rond 1850 raakte de neogotiek in de mode, en Haagse meubelmakers bleven vernieuwen. Ze maakten meubels die zowel functioneel als artistiek waren, met oog voor detail — van verfijnde houtsnijwerken tot complexe verguldingstechnieken. Dat vakmanschap bleef herkenbaar tot ver in de twintigste eeuw.
Heb je suggestie voor dit verhaal?